Laag testosteron en genderdysforie — een verband dat zelden wordt onderzocht
Een lage testosteronspiegel kan bij jongens leiden tot een lichaam dat minder mannelijk aanvoelt. In de transgenderzorg wordt dit nauwelijks gemeten. Dat is een gemiste kans — en mogelijk een ernstige medische omissie.
Genderdysforie bij jongens wordt beschreven als een aanhoudend gevoel van ongemak met het mannelijke lichaam en een identificatie met het vrouwelijke. Maar hoe dat gevoel ontstaat, wordt in de klinische praktijk nauwelijks onderzocht. Een biologisch voor de hand liggende factor — de testosteronspiegel — blijft opvallend vaak buiten beeld.
Wat doet testosteron met het mannelijke lichaam?
Testosteron is het primaire mannelijke geslachtshormoon en verantwoordelijk voor de kenmerken die een mannelijk lichaam herkenbaar maken: spiermassa, stemdiepte, gezichtsbeharing, botstructuur en vetverdeling. Tijdens de puberteit neemt de testosteronproductie sterk toe en transformeert het lichaam van een jongenslichaam naar een volwassen mannelijk lichaam.
Als dat proces verstoord is — door een te lage aanmaak van testosteron, een verminderde gevoeligheid voor het hormoon, of een overheersende werking van oestrogeen — kan de masculinisering achterblijven. Het resultaat is een lichaam dat minder uitgesproken mannelijke kenmerken vertoont: minder spiermassa, een hogere stem, meer vet op heupen en borsten, minder beharing.
Het is niet moeilijk voor te stellen dat een jongen met deze lichaamskenmerken zich minder thuis voelt in zijn mannelijke lichaam — niet omdat hij "eigenlijk een meisje is", maar omdat zijn lichaam zich onvoldoende heeft ontwikkeld op de manier die hij verwachtte.
Hoe vaak komt laag testosteron voor bij jongeren?
Hypogonadisme — de medische term voor een tekort aan geslachtshormoonproductie — komt voor bij naar schatting 1 tot 2 procent van de mannelijke bevolking. Subklinische varianten, waarbij het testosteron aan de lage kant van normaal is zonder formele diagnose, zijn vermoedelijk vaker aanwezig. Oorzaken variëren van genetische aandoeningen (zoals het Klinefelter-syndroom) tot chronische stress, obesitas, slaapgebrek en blootstelling aan hormoonverstorende stoffen.
Juist in de leeftijdsgroep die zich aanmeldt bij genderklinieken — pubers en jongvolwassenen — spelen al deze factoren mee. Stress, slaaptekort en overgewicht zijn in deze groep niet zeldzaam.
Wordt dit gemeten in de transgenderzorg?
Niet systematisch. In de protocollen van de meeste genderklinieken staat het meten van het endogene hormoonprofiel niet als verplichte stap vóór de behandeling. Er wordt wel bloed afgenomen voor de start van kruishormonen, maar dat is primair om de uitgangswaarden vast te leggen voor het monitoren van de behandeling — niet om een eventueel tekort te ontdekken en te corrigeren.
Dit is een opvallende lacune. In de reguliere endocrinologie zou een jongen die klaagt over trage lichamelijke ontwikkeling, weinig spiermassa of een hoge stem automatisch worden getest op hypogonadisme. In de transgenderzorg wordt diezelfde jongen doorgestuurd voor psychologische screening en vervolgens eventueel hormoontherapie — maar dan in de tegenovergestelde richting.
Wat zegt het onderzoek?
Direct onderzoek naar de prevalentie van laag testosteron bij jongens met genderdysforie is schaars — wat op zichzelf veelzeggend is. De vraag is nauwelijks gesteld, laat staan beantwoord. Wat wel bestaat, zijn case reports en kleine studies die suggereren dat hormonale factoren een rol kunnen spelen bij de beleving van genderidentiteit.
Een Zweedse studie uit 2020 vond verhoogde testosteronspiegels bij vrouwen met genderdysforie, wat wijst op een biologisch substraat voor de dysforie. De spiegelbeeldige vraag — laag testosteron bij mannen met genderdysforie — is tot nu toe nauwelijks systematisch onderzocht.
Dr. Stephen Stathis, hoofd van de genderafdeling van het Lady Cilento Children's Hospital in Brisbane, merkte in een interview op dat een aanzienlijk deel van zijn patiënten bij nader onderzoek een hormonale of genetische aandoening bleek te hebben die bijdroeg aan hun klachten. "We moeten beter worden in het uitsluiten van behandelbare medische oorzaken voordat we overgaan op sociale en medische transitie."
Oestrogeen als verkeerde richting
Voor een jongen met een laag testosteronniveau is het toedienen van oestrogeen — de standaardbehandeling in de transgenderzorg voor jongens die willen transitioneren — in zekere zin het verergeren van het probleem. Oestrogeen onderdrukt de testosteronproductie verder, versterkt feminiene lichaamskenmerken en maakt een groot deel van de veranderingen permanent.
Als de onderliggende oorzaak van het onbehagen een tekort aan testosteron is, dan lost oestrogeen dat niet op — het verplaatst het probleem naar een lichaam dat nog verder verwijderd is van de mannelijke norm die de jongen biologisch gezien had kunnen bereiken.
De juiste volgorde van onderzoek
Wat clinici zouden moeten doen voordat medische transitie wordt overwogen:
- Volledig hormoonprofiel: testosteron (totaal en vrij), LH, FSH, oestradiol, SHBG, prolactine
- Uitsluiten van genetische aandoeningen zoals het Klinefelter-syndroom (47,XXY)
- Beoordeling van leefstijlfactoren die testosteron onderdrukken: slaap, gewicht, stress, medicijngebruik
- Bij laag testosteron: behandeling en evaluatie van het effect op de dysforie
Pas als deze stappen zijn doorlopen en de klachten aanhouden, is een gesprek over verdere behandeling op zijn plaats. Dit is geen obstakel voor transgenderzorg — het is goede medische praktijk.
Het verband tussen laag testosteron en genderdysforie bij jongens is onvoldoende onderzocht en wordt in de klinische praktijk systematisch over het hoofd gezien. Dat is een medische omissie met potentieel grote gevolgen: jongens die met testosteron geholpen hadden kunnen worden, krijgen in plaats daarvan oestrogeen — en de schade die daarmee gepaard gaat is grotendeels onomkeerbaar.
Deze vraag verdient serieus wetenschappelijk onderzoek. Totdat dat onderzoek er is, zou voorzichtigheid het uitgangspunt moeten zijn.
Deel dit artikel: