cijfers

Transspijt is mogelijk 33% — Voorzij rekent door op loss of follow-up

De officiële spijtpercentages van 1 à 2 procent zijn statistisch onhoudbaar, schrijft auteur Dutchess (Tara) op Voorzij.nl. Zodra je de loss of follow-up meeneemt — patiënten die uit beeld verdwijnen — kan het werkelijke percentage richting de 33% lopen.

Transspijt is mogelijk 33% — Voorzij rekent door op loss of follow-up

Op 1 augustus 2024 publiceerde Voorzij.nl een ingezonden stuk van Dutchess (Tara) met de titel "Transspijt is mogelijk 33%". Het stuk rekent door op de meest geciteerde meta-analyses over transspijt en concludeert dat de officiële 1 à 2 procent onhoudbaar laag is zodra je de uitval uit follow-up serieus neemt.

De kern van het argument

Meta-analyses rapporteren een spijtpercentage van ongeveer 2,2%, maar tegelijk een loss of follow-up van rond de 30,9%. Met andere woorden: bij bijna een derde van de geopereerde patiënten weten we het simpelweg niet. Het Nederlandse Wiepjes-onderzoek (2018) komt uit op een loss of follow-up van zo'n 36%.

De auteur stelt dat het in gangbare wetenschap niet correct is om die onbekende groep weg te laten of als "tevreden" mee te tellen. De juiste statistische aanpak is om onzekerheid bij het risico op te tellen, niet bij het succes. Doe je dat consequent, dan komt het mogelijk spijtpercentage uit rond de 33%.

Overzicht van spijtpercentages uit verschillende studies

Wat er nog meer wringt

Dutchess noemt een aantal aanvullende bezwaren tegen de huidige cijfers:

  • Meetmoment te vroeg. De meeste studies meten spijt binnen enkele jaren na transitie. Uit de beschikbare data blijkt dat spijt gemiddeld pas zo'n 10 jaar na transitie naar de oppervlakte komt.
  • Geen controlegroep. Er bestaat geen randomized controlled trial voor genderzorg. Daarmee is de huidige praktijk technisch gezien experimenteel, geen evidence-based geneeskunde.
  • Klinische erkenning. Het stuk haalt een gesprek aan met een klinisch psycholoog van een Nederlands ziekenhuis, die zou hebben gezegd dat genderbevestigende behandeling niet automatisch leidt tot geluk — wat de vraag oproept op welke uitkomst de zorg dan precies gerechtvaardigd is.

Diagram waarin loss of follow-up bovenop het gerapporteerde spijtpercentage wordt opgeteld

Waarom dit hier staat

De auteur stelt geen exact percentage vast — 33% is een rekenkundige bovengrens, geen meetuitkomst. Maar het maakt iets duidelijk dat ook door andere onderzoekers wordt gesignaleerd: zolang een derde van de patiënten uit beeld verdwijnt, kan geen kliniek met droge ogen volhouden dat slechts 1 à 2 procent spijt krijgt. De cijfers die je wél hoort, zijn ondergrenzen — geen werkelijkheid.

Voor wie zelf de afweging maakt of een kind, partner of familielid begeleidt, is dat een wezenlijk verschil.


Bron: Dutchess (Tara). Transspijt is mogelijk 33%. Co-publicatie van Voorzij.nl, Provrouw.nl en Genspect.org, 1 augustus 2024. Afbeeldingen overgenomen van dezelfde publicatie.

Deel dit artikel: