Deel 2 van 6
Cijfers en registratie
De cijfers over detransitie lopen sterk uiteen en zijn onbetrouwbaar. De oorzaak ligt bij gebrekkige registratie en uitval die klinieken niet volgen.
Hoe vaak komt detransitie voor? Het eerlijke antwoord is: niemand weet het precies, en dat is geen toeval. De cijfers lopen uiteen van enkele procenten tot aanzienlijk hoger, afhankelijk van wie wordt geteld en wie de telling uitvoert. Achter die spreiding gaat een structureel probleem schuil: klinieken registreren detransitie nauwelijks.
Waarom de cijfers zo ver uiteenlopen
Lage detransitiecijfers stammen vaak uit oudere studies onder volwassenen die na uitvoerige diagnostiek transitioneerden. Die populatie verschilt sterk van de jongere groep die de afgelopen jaren via snellere trajecten in transitie ging. Cijfers uit het ene tijdperk worden gebruikt om de zorg in het andere gerust te stellen — een vergelijking die niet opgaat.
Daarnaast bepaalt de definitie de uitkomst. Wie alleen telt wie formeel terugkeert naar de kliniek om de transitie ongedaan te maken, komt op lage getallen. Wie ook meeneemt wie stilletjes stopt met hormonen of nooit meer terugkomt, komt veel hoger uit.
Het registratie- en follow-upprobleem
De kern van de onbetrouwbaarheid ligt in de follow-up. Detransitioners keren zelden terug naar de behandelaar die hen op het transitiepad zette. Sommigen schamen zich, anderen wantrouwen de zorg, weer anderen willen niets meer met de kliniek te maken hebben. Wie wegblijft, telt niet mee. In de cijfers verschijnt zo'n patient als iemand die tevreden was, terwijl het tegendeel waar kan zijn.
De Cass Review legde dit mechanisme bloot. Het rapport stelde vast dat klinieken hun patienten over langere termijn niet systematisch volgden en dat cruciale uitkomstdata simpelweg ontbreken. Zonder structurele follow-up is elke detransitiestatistiek een onderschatting van onbekende omvang.
Wat ontbrekende data betekent
Als een kliniek niet weet hoe het haar patienten vijf of tien jaar later vergaat, kan ze ook niet weten hoe vaak detransitie voorkomt. Het lage cijfer dat zij rapporteert is dan geen geruststelling maar een blinde vlek. Beleid en voorlichting die op zulke cijfers leunen, bouwen op zand.
De gevolgen van slechte cijfers
Onbetrouwbare cijfers hebben gevolgen die verder reiken dan de statistiek. Ze worden gebruikt om aspirant-patienten gerust te stellen (“spijt komt bijna nooit voor”), om kritiek op de zorg te pareren, en om de noodzaak van betere nazorg te ontkennen. Zolang detransitie als zeldzaam wordt afgeschilderd, krijgt de groep geen aanspraak op zorg die ze hard nodig heeft. De gebrekkige registratie is daarmee niet alleen een meetprobleem, maar een instrument dat de bestaande praktijk beschermt.
Bronnen bij dit deel
- Cass Review — Independent review of gender identity services for children and young people: Final Report (2024)
- Littman, L. — Individuals Treated for Gender Dysphoria with Medical and/or Surgical Transition Who Subsequently Detransitioned (Archives of Sexual Behavior, 2021)
- Society for Evidence-Based Gender Medicine — overzichtsartikelen over detransitiecijfers
→ Volgende: Oorzaken.