Deel 2 van 6

De oorspronkelijke criteria

Het Dutch Protocol gold alleen voor een smalle, scherp afgebakende groep: vroeg ontstane stabiele dysforie, psychische stabiliteit en een steunende omgeving.

Het Dutch Protocol was in zijn oorspronkelijke vorm geen open toegangspoort. Het Amsterdamse team formuleerde strenge inclusiecriteria die maar een kleine, scherp afgebakende groep jongeren toelieten tot medische behandeling. Wie die criteria kent, begrijpt waarom de latere internationale toepassing zo problematisch werd.

Vroeg ontstane, stabiele dysforie

De eerste en belangrijkste voorwaarde was dat de genderdysforie al in de vroege kindertijd was ontstaan en sindsdien onafgebroken aanwezig was. De aanname was dat juist deze vroeg ontstane, persisterende variant het meest waarschijnlijk zou doorzetten tot in de volwassenheid. Jongeren bij wie de dysforie pas rond of na het begin van de puberteit opkwam, vielen buiten de oorspronkelijke doelgroep.

Daarnaast moest de dysforie met het intreden van de puberteit duidelijk verergeren. Die verergering werd gezien als een bevestiging dat de lichamelijke ontwikkeling in de verkeerde richting het lijden veroorzaakte.

Psychische stabiliteit

De tweede voorwaarde betrof de geestelijke gezondheid. Jongeren met ernstige bijkomende psychiatrische problematiek kwamen niet in aanmerking. De redenering was dat zware comorbiditeit — bijvoorbeeld ernstige depressie, trauma of autisme met complicerende factoren — zowel de diagnose vertroebelt als de besluitvorming over een ingrijpende behandeling bemoeilijkt. Een uitgebreid diagnostisch traject moest uitsluiten dat de genderklachten een uiting waren van andere onderliggende problemen.

Een steunende omgeving

De derde voorwaarde was een stabiele, steunende gezinssituatie. Het protocol ging ervan uit dat de jongere en het gezin het langdurige traject samen konden dragen en dat er voldoende draagkracht was om de medische en psychologische begeleiding te volgen.

Een protocol voor weinigen

De combinatie van vroeg ontstane stabiele dysforie, psychische stabiliteit en een steunende omgeving maakte van het Dutch Protocol een behandeling voor een zeer kleine, geselecteerde groep. Het was nadrukkelijk niet bedoeld als standaardroute voor iedere jongere die zich met genderklachten meldde.

Diagnostiek als poortwachter

Het selectieproces zelf was bedoeld als poortwachter. Een uitgebreide diagnostische fase, uitgevoerd door psychologen en psychiaters, moest vaststellen of een jongere aan alle voorwaarden voldeed voordat de eerste puberteitsremmers werden voorgeschreven. In de oorspronkelijke Amsterdamse opzet was deze diagnostiek niet een formaliteit maar de kern van het model.

Juist het loslaten van deze poortwachtersfunctie — het verbreden van de doelgroep en het verkorten van de diagnostiek — vormt de breuklijn die in het volgende deel aan bod komt.


Bronnen bij dit deel

→ Volgende: Scope creep.