Dr. Kenneth Zucker bij The Bigger Picture Conference 2023
Op The Bigger Picture Conference 2023 besprak Dr. Kenneth Zucker zijn perspectief op de ontwikkeling van de genderzorg over de afgelopen vijf decennia.
Over Dr. Kenneth Zucker
Dr. Kenneth Zucker werkt sinds 1975 in Toronto op het gebied van genderdysforie bij kinderen. In deze lezing op The Bigger Picture Conference 2023 blikt hij terug op bijna vijf decennia onderzoek en klinische praktijk. Hij beschrijft een model van psychoseksuele differentiatie met drie parameters: genderidentiteit, genderrolgedrag en seksuele oriëntatie. Volgens het klassieke model ontwikkelt genderidentiteit zich eerst, gevolgd door genderrolgedrag, waarna seksuele oriëntatie later in de ontwikkeling naar voren komt. Hij schetst ook hoe zijn kliniek in de jaren zeventig vooral kinderen zag, terwijl het aantal adolescenten pas vanaf het midden van de jaren 2000 sterk toenam.
Diagnose en verwijzingen
Zucker plaatst de diagnose in historische context. De diagnose verscheen voor het eerst in de DSM-III uit 1980 (genderidentiteitsstoornis bij kinderen en transseksualiteit bij adolescenten en volwassenen), en werd in 2013 in de DSM-5 vervangen door genderdysforie met aparte criteria voor kinderen en adolescenten. De kinderen waar hij over spreekt waren bij het eerste bezoek tussen de twee en twaalf jaar oud, met een gemiddelde leeftijd van ongeveer zeven. Veelvoorkomende redenen voor een verwijzing door ouders, huisarts of leerkracht waren dat het kind ongelukkig leek met zijn gender, zorgen over sociale uitsluiting vanwege gendervariant gedrag, andere mentale uitdagingen, gezinsdynamiek en vragen over de toekomstige seksuele oriëntatie van het kind.
Persistentie en desistentie
Een centraal thema zijn de follow-upstudies naar het langetermijnverloop. Zucker bespreekt cijfers uit verschillende onderzoeken: een vroege studie van Richard Green liet lage persistentiepercentages zien, de Nederlandse groep rapporteerde in 2008 ongeveer 20 procent persistentie bij geboren jongens, en de Toronto-groep publiceerde rond 12 procent bij zowel geboren meisjes als jongens. In een meerderheid van de gevallen werd de genderidentiteit dus weer meer congruent met het geboortegeslacht. Hij behandelt ook kritiek op deze studies, zoals methodevariatie en het zogenoemde "no true Scotsman"-argument dat desisters nooit echt gendersdysfoor zouden zijn geweest. Door te kijken naar wie aan de volledige DSM-criteria voldeed, laat hij zien dat ook veel desisters bij aanvang de complete diagnose hadden gekregen.
Sociale transitie en het ouderdilemma
Zucker wijst erop dat de oudere follow-upstudies vooral kinderen betroffen die werden gezien vóór de opkomst van vroege sociale transitie rond het midden van de jaren 2000. Inmiddels komen veel kinderen al sociaal getransitioneerd bij klinieken binnen. Hij verwijst naar gegevens, waaronder een studie van Christina Olson, waarin het persistentiepercentage bij sociaal getransitioneerde kinderen veel hoger lag dan in de oudere studies. Hij merkt op dat stabiele desistentie na sociale transitie vaak biomedische behandeling vereist, en spreekt zo van verschillende paden naar desistentie. Zijn kernpunt is dat geen enkele therapeutische benadering of uitkomst zonder meer de voorkeur zou moeten krijgen boven andere: ouders hebben vooral betere data nodig over de kansen die elke aanpak met zich meebrengt.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.