Dr. Kenneth Zucker — geslacht, ontwikkeling en identiteit
In dit diepgaande gesprek gaat Dr. Kenneth Zucker in op de fundamentele vragen rondom geslacht, ontwikkeling en identiteit bij kinderen.
Over Kenneth Zucker
Kenneth Zucker is een psycholoog en onderzoeker die zich richt op identiteitsontwikkeling bij kinderen, in het bijzonder genderidentiteit. In dit gesprek met Benjamin Boyce vertelt hij dat hij oorspronkelijk klinische psychologie studeerde, maar onderzoek wilde combineren met klinisch werk. Na zijn master deed hij een promotie in de ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Toronto. Zijn belangstelling voor gender ontstond rond de late jaren zestig en vroege jaren zeventig, mede door het boek van Richard Green uit 1974. In Toronto raakte hij betrokken bij een net opgerichte genderidentiteitskliniek voor kinderen en adolescenten van Susan Bradley.
Genderidentiteit in de vroege ontwikkeling
Zucker legt uit dat de term genderidentiteit in de vroege jaren zestig zijn weg vond naar de ontwikkelingsliteratuur. Genderidentiteit wordt volgens hem al heel vroeg een deel van het zelf: slimme tweejarigen kunnen correct aangeven of ze een jongen of meisje zijn, en dat besef volgt kort op het vermogen om zichzelf te herkennen, zoals in de klassieke spiegeltest bij peuters. Hij beschrijft dat kinderen, zodra ze zichzelf benoemen als jongen of meisje, voorkeuren ontwikkelen die daarmee samenhangen, tot aan kleurvoorkeuren toe. Gender ontstaat volgens hem altijd binnen een sociale context: de sterke voorkeur van meisjes voor roze hangt samen met culturele stereotypen. Hij plaatst zichzelf niet als strikte sociaal-constructivist of essentialist, maar gaat ervan uit dat zowel biologische als psychosociale factoren meespelen.
Ontwikkelingsperspectief en behandeling
In zijn therapeutische benadering staat een ontwikkelingsperspectief centraal. Zucker benadrukt dat hij niet probeert iemands genderidentiteit te veranderen, maar zoekt naar de beste manier om genderdysforie te verminderen, omdat dysforie per definitie als belastend wordt ervaren. Wat passend is bij een driejarige verschilt sterk van wat passend is bij een dertien- of twintigjarige. Hij verwijst naar follow-upstudies waaruit blijkt dat de meeste jonge kinderen met genderdysforie deze later niet behouden, terwijl adolescenten die zich pas op die leeftijd melden vaker een blijvend beeld laten zien. Hij waarschuwt dat data over kinderen niet gebruikt kunnen worden om de prognose van adolescenten te voorspellen. Ook noemt hij het begrip consolidatie: het idee dat identiteit zich gaandeweg vormt en stabieler wordt, en dat vroeg sociaal transitioneren een ontwikkelingspad kan vastleggen.
Nieuwe groepen adolescenten en medische zorg
Zucker bespreekt een nieuwe groep, vooral adolescente meisjes, met wat mensen rapid onset gender dysphoria noemen: kinderen die in de kindertijd niet gendernonconform waren en pas later dysforie ontwikkelen. De sekseverhouding is volgens hem verschoven van meer jongens naar meer meisjes. Hij wijst op het belang van een grondige beoordeling, ook van de bredere psychische gezondheid, en uit zorgen dat sommige clinici kinderen te snel op een medisch traject zetten zonder voldoende ruimte voor exploratie. Hij noemt hormonale onderdrukking, gender-affirmerende hormonen en chirurgie als onomkeerbare opties die zorgvuldigheid vereisen, en verwijst naar zijn Nederlandse collega's die niet bij elke adolescent hormonale onderdrukking aanbevelen. Tot slot benadrukt hij dat één behandeling niet voor iedereen past, en dat dit besef belangrijk is voor ouders, clinici en patiënten.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.