Groeipijnen — problemen met puberteitssuppressie bij genderdysforie (dr. Paul Hruz)
Dr. Paul Hruz bespreekt de medische en ontwikkelingskundige problemen die gepaard gaan met het onderdrukken van de puberteit bij kinderen met
Over dr. Paul Hruz
Dr. Paul Hruz is endocrinoloog en verbonden aan een academisch instituut, waar hij fundamenteel onderzoek doet, patiënten behandelt en betrokken is bij onderwijs. In deze lezing benadrukt hij dat hij niet namens zijn universiteit spreekt, maar vanuit zijn ervaring in het beoordelen van wetenschappelijke vraagstukken. Hij belicht de medische en ontwikkelingskundige bezwaren tegen het onderdrukken van de puberteit bij kinderen met genderdysforie. Hruz begint nadrukkelijk met de erkenning dat veel mensen met een genderidentiteit die niet overeenkomt met hun biologische geslacht echt lijden, met een hoge mate van depressie, angst en suïcidaliteit. De kernvraag die hij stelt, is of de aangeboden behandeling dat lijden daadwerkelijk verlicht.
Een veranderd behandelparadigma
Hruz schetst hoe de aanpak in de loop der tijd is omgeslagen. Decennialang werd genderidentiteitsstoornis benaderd als een psychisch probleem, waarbij afwachten of psychologische begeleiding het uitgangspunt was. Hij wijst erop dat meerdere studies over meerdere decennia consistent laten zien dat het merendeel van de kinderen dat zich met deze identiteit presenteert, vanzelf weer in lijn komt met hun geslacht wanneer men hen met rust laat. De schattingen variëren breed, met ongeveer 80 tot 85 procent als beste schatting. Na een herziening van het psychiatrisch handboek werd het paradigma volgens hem omgedraaid: gendervariatie wordt nu als normaal beschouwd en de focus ligt op het verlichten van de dysforie via hormonale behandeling, beginnend met het onderdrukken van de puberteit, gevolgd door cross-sekse hormonen en eventueel chirurgie, op steeds jongere leeftijd.
Zwakke wetenschappelijke onderbouwing
Centraal in zijn betoog staat dat dit nieuwe paradigma volgens hem niet op stevig bewijs rust. Hij verwijst naar de richtlijnen van zijn eigen beroepsvereniging, The Endocrine Society, die het bewijs graderen. Vrijwel elke aanbeveling berust volgens hem op lage of zeer lage kwaliteit van bewijs; alleen informatie over complicaties van de behandeling bereikt een matig niveau. De onderzoeken kennen kleine aantallen deelnemers, ontbrekende controlegroepen en vaak vertekende, zelfgeselecteerde steekproeven. Hruz bestrijdt ook de claim dat puberteitsremmers volledig omkeerbaar en veilig zijn: men onderbreekt een normaal ontwikkelingsproces en kan de verloren tijd in de adolescentie niet terughalen. Hij noemt risico's zoals lagere botdichtheid en, in combinatie met cross-sekse hormonen, waarschijnlijke onvruchtbaarheid. In één aangehaalde studie gingen alle kinderen die puberteitsremmers kregen door naar cross-sekse hormonen, wat de vraag oproept of de interventie zelf het verloop beïnvloedt.
Medische ethiek en een gedeeld doel
Hruz toetst de behandeling aan ethische principes. Omdat langetermijnbewijs ontbreekt, beschouwt hij deze als experimenteel, terwijl kinderen en ouders daar volgens hem niet over worden geïnformeerd. Hij bespreekt de principes van weldoen (beneficence), autonomie, waarbij hij erop wijst dat adolescenten in andere domeinen juist tegen impulsieve beslissingen worden beschermd, en het beginsel om geen schade te berokkenen (non-maleficence). Hij verwijst naar een Zweedse studie en een meta-analyse waaruit blijkt dat het lijden en de suïcidaliteit ook na behandeling hoog blijven. Tot slot pleit hij voor compassie: meelopen met deze mensen in hun lijden, vooroordelen en pesten bestrijden, psychologische steun bieden en tegelijk de biologische realiteit erkennen. Voorstanders en critici delen volgens hem het doel om het lijden te verlichten en zouden samen het ontbrekende wetenschappelijke onderzoek moeten opbouwen.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.