Dr. Riittakerttu Kaltiala — interview over genderzorg voor minderjarigen (ACL)
Dr. Riittakerttu Kaltiala bespreekt in dit ACL-interview haar wetenschappelijke bezwaren tegen de huidige praktijk van genderzorg voor minderjarigen.
Over Dr. Riittakerttu Kaltiala
In dit interview met de Australian Christian Lobby vertelt Dr. Riittakerttu Kaltiala over haar werk en haar bezwaren tegen de huidige praktijk van genderzorg voor minderjarigen. Zij is van origine adolescentenpsychiater en hoogleraar adolescentenpsychiatrie. Rond 2010 kreeg zij in Finland de opdracht om een dienst op te zetten voor de beoordeling van genderidentiteit bij minderjarigen onder de achttien jaar. Tot dan toe hadden alleen volwassenen toegang tot deze zorg. In Finland zijn deze diensten gecentraliseerd in twee van de vijf universiteitsziekenhuizen; Kaltiala was destijds directeur van de afdeling adolescentenpsychiatrie waar de volwassenenzorg al liep.
Het Nederlandse protocol en de eerste twijfels
Kaltiala beschrijft hoe in die periode in heel Europa het zogeheten Nederlandse protocol opkwam, een aanpak die later genderbevestigende zorg ging heten. Klinieken in onder meer Londen, Amsterdam en Stockholm werkten al met kinderen en adolescenten met genderdysforie en raakten geïnteresseerd in dit nieuwe model. Er waren grote seminars in Europa, en zij voelde druk om dezelfde zorg ook in Finland beschikbaar te maken. Tegelijk had zij vanuit haar vak bedenkingen: in de adolescentenpsychiatrie geldt dat het vormen en consolideren van identiteit juist de uitkomst is van de adolescente ontwikkeling. Het idee dat één facet van die identiteit al zo vroeg vastligt dat ingrijpen in een gezond ontwikkelend lichaam gerechtvaardigd zou zijn, vond zij lastig te aanvaarden.
Een ander patiëntbeeld dan verwacht
De patiënten die zich aanmeldden, weken volgens Kaltiala sterk af van wat het Nederlandse protocol beschreef. Verwacht werden jongeren met genderdysforie vanaf de vroege kindertijd, die zich al jaren als het andere geslacht identificeerden en verder psychisch redelijk in orde waren. In plaats daarvan zag de kliniek in Finland een grote meerderheid van biologisch vrouwelijke jongeren (zij noemt rond de 80 tot 85 procent), die zich gemiddeld op zestienjarige leeftijd meldden, dus ruim voorbij de vroege puberteit. Belangrijker nog: velen hadden een lange voorgeschiedenis van ernstige psychiatrische problematiek, en hun eerste gevoelens van genderdysforie waren ontstaan binnen die context. Dat vond zij verwarrend. Bij follow-up, die in het Finse systeem verplicht minstens een jaar duurde en in de praktijk vaak doorliep tot het achttiende jaar, bleek dat jongeren met ernstige psychiatrische problemen, ontwikkelingsmoeilijkheden en achterstand in hun adolescente ontwikkeling niet beter werden van het medische traject.
Publicaties, richtlijn en oproep tot voorzichtigheid
Kaltiala zag het als haar plicht als arts om een onverwachte schade onder de aandacht van de wetenschappelijke gemeenschap te brengen, en begon haar bevindingen te publiceren. Niet iedereen reageerde daar enthousiast op, ook niet binnen professionele kringen. Mede op basis hiervan vroeg de kliniek om een nationale richtlijn, die in Finland uiteindelijk vrij behoudend uitviel vergeleken met de ontwikkelingen elders, waar het Nederlandse model steeds ruimer werd toegepast, ook bij jongere patiënten en ongeacht ernstige psychiatrische problematiek. Kaltiala werd woordvoerder van de Finse richtlijn voor jongeren en kreeg veel internationale belangstelling. Aan twijfelende professionals geeft zij mee dat tot nu toe niet is aangetoond dat dit medische traject de eraan toegeschreven verwachtingen waarmaakt: secundaire geslachtskenmerken kunnen worden gewijzigd, maar andere problemen worden er niet mee opgelost. Daarom pleit zij voor grote voorzichtigheid en zorgvuldige beoordeling per individu, waarbij volgens haar slechts weinig jongeren daadwerkelijk dit traject zouden moeten ingaan en de behandeling van psychiatrische problemen vaak voorrang verdient.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.