Carey Callahan — veroorzaakt genderidentiteitstheorie meer dysforie?
In dit analytische gesprek stelt Carey Callahan de provocerende vraag of de genderidentiteitstheorie zelf bijdraagt aan de toename van genderdysforie.
Over Carey Callahan
Carey Callahan is gezinstherapeut en schrijft over genderdysforie. Ze heeft zelf genderdysforie ervaren, identificeerde zich eerder als man en begon met het transitieproces, inclusief het gebruik van testosteron, voordat ze besloot te detransitioneren. Haar verhaal kwam eerder aan bod in een artikel van The Atlantic. In dit gesprek met Zach Elwood, host van de podcast People Who Read People (opgenomen op 13 juli 2021), bespreekt ze de filosofie achter de genderidentiteitstheorie en de vraag of die theorie zelf bijdraagt aan genderdysforie. Callahan benadrukt dat ze zich nadrukkelijk niet tegen transitie keert: ze wil dat iedereen met genderdysforie de best mogelijke zorg krijgt en respecteert de autonomie van mensen om hun eigen keuzes te maken.
Wat zegt de genderidentiteitstheorie?
Callahan beschrijft wat zij de "brain sex"-theorie noemt: het idee dat stereotypen over mannen en vrouwen voortkomen uit een verschil in hersenstructuur. Ze illustreert dit met een opvoedboek dat zij tegenkwam bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, waarin stond dat jongens en meisjes verschillende hersenen hebben en dat het bestaan van transgenders daarvan een bewijs zou zijn. Volgens Callahan ondersteunt onderzoek dit niet. Ze vindt de theorie circulair: ze wil stereotypen overstijgen, maar leunt er tegelijk op door eigenschappen als zorgzaamheid of assertiviteit aan een "mannelijk" of "vrouwelijk" brein toe te schrijven. Ze wijst er ook op dat veel denkende mensen binnen de trans-gemeenschap deze simplistische versie juist niet aanhangen, en dat rechten om je lichaam of leven vorm te geven niet afhankelijk zouden moeten zijn van een verondersteld hersenverschil.
Praten als zorg, niet als aanval
Een terugkerend thema is dat moeilijke gesprekken over transitie volgens Callahan en Elwood juist een vorm van zorg zijn. Ze constateren dat de gangbare benadering vaak is om kritische vragen te vermijden en mensen snel richting hormonen en chirurgie te leiden. Callahan vindt dat een "hands-off"-houding egoïstisch kan worden: wie weigert met een naaste te praten over de kwaliteit van diens arts, maakt het zichzelf makkelijk om zich een goed mens te voelen, terwijl niet elke arts even goed is. Ze pleit voor het afremmen van mensen zodat ze in concrete details nadenken, en waarschuwt dat een "fantasie-gerichte" gemoedstoestand geen goede basis is voor ingrijpende plannen.
Veroorzaakt de theorie meer dysforie?
Callahan vertelt over haar eigen ervaring: ze transitioneerde als volwassene op haar dertigste en begon met testosteron op advies dat een goed gevoel bevestiging zou zijn. Testosteron voelde voor haar uitstekend, wat haar destijds versterkte in het geloof dat ze een "mannelijk brein" had; achteraf schrijft ze dat gevoel toe aan het effect van het middel zelf. Ze koppelt genderdysforie aan een breder biopsychosociaal model: net als bij depressie of ADHD spelen lichaam, psychologie en omgeving samen, en het is niet beledigend om die complexiteit te benoemen. Ouders en omgeving geven kinderen voortdurend signalen over wat acceptabel is; een theorie die stereotypen aan hersenen koppelt, kan die signalen versterken. Tot slot bespreekt ze het belang van onzekerheid, meer informatie boven minder, en het besef dat mensen vaak basale, gewone dingen nodig hebben om zich goed te voelen.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.