Wetenschappelijke literatuur over de desistentie van genderdysforie bij kinderen
Gedetailleerde bespreking van het wetenschappelijke onderzoek dat aantoont dat de meerderheid van kinderen met genderdysforie vanzelf desistiert zonder medische ingreep.
Over de spreker
In deze video bespreekt Paul Dirks de wetenschappelijke literatuur over desistentie en persistentie van genderdysforie bij kinderen. Hij geeft aan veel in de vakliteratuur over sekse en gender gelezen te hebben en eerder voor het Canadese parlement (de Senaat, juridische commissie over wetsvoorstel C-16) te hebben gesproken, vooral over privacy en bescherming van vrouwen in besloten ruimtes. Zijn uitgangspunt is dat lezers hem niet op zijn woord moeten geloven, maar zelf de aangehaalde studies moeten nalezen om de conclusies te toetsen.
Wat het onderzoek laat zien
De kern van het betoog is dat genderdysforie bij de meerderheid van de kinderen na de puberteit weer verdwijnt. Dirks verwijst naar Thomas Steensma (2011), die in een kwalitatieve studie meldt dat dysforie bij 39 van de 246 kinderen tot in de adolescentie bleef bestaan, en die schrijft dat de persistentiecijfers tussen studies varieerden van 2 tot 27 procent. Steensma concludeert dat de dysforie bij de meeste kinderen na de puberteit wegtrok, en herhaalt die conclusie in 2013.
Dirks loopt vervolgens een reeks studies langs die hij in een overzicht heeft samengebracht: Green (1987), Zucker & Bradley (1995), Wallien & Cohen-Kettenis (2008, gemengde groep, 73 procent desistentie), Drummond (2008, uitsluitend meisjes, circa 88 procent), de Vries / Singh (2012, naar zijn oordeel de beste studie) en Steensma (2013). Volgens hem komen de cijfers veelal uit op een desistentie van ongeveer 80 tot 90 procent, waarbij hij wijst op factoren als steekproefgrootte, leeftijd bij beoordeling en lengte van de follow-up.
Sociale transitie als risicofactor
Een belangrijk punt dat Dirks uit de studie van Steensma (2013) haalt, is het verschil tussen kinderen die wel en niet sociaal waren getransitioneerd. Volgens de cijfers die hij toont, lag de desistentie bij kinderen zonder sociale transitie rond de 74 procent, terwijl die bij kinderen die wel sociaal getransitioneerd waren (denk aan een andere naam, voornaamwoorden of kleding) op ongeveer 35 procent lag. Hij beschouwt dit als reden tot zorg en waarschuwt tegen het te snel medicaliseren van kinderen via puberteitsremmers, cross-sekse hormonen en operaties.
Tegenwerpingen die hij bespreekt
Dirks behandelt enkele bezwaren tegen deze cijfers. Een ervan is dat de studie van Singh (2012) niet peer-reviewed zou zijn; hij wijst erop dat de tekst desondanks veelvuldig wordt geciteerd. Een ander bezwaar gaat over het meetellen van non-responders bij de desisters in de Nederlandse studies, waarbij hij de redenering van de onderzoekers weergeeft. Een derde tegenwerping is dat de studies deels gender-nonconforme kinderen zouden bevatten in plaats van kinderen met sterke dysforie; volgens Dirks pleit dat eerder voor strengere toelating tot zorg dan voor het affirmatieve model.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.