Het consumentisme van genderaffirmatieve zorg — Leor Sapir (ep. 150)
Leor Sapir, onderzoeker aan het Manhattan Institute, legt in aflevering 150 uit hoe genderaffirmatieve zorg is getransformeerd tot een consumentenproduct.
Over Leor Sapir
Leor Sapir is verbonden aan het Manhattan Institute en richt zich met zijn onderzoek op beleidskwesties rond genderidentiteit en transgenderisme. In deze aflevering van de podcast Gender: A Wider Lens, met psychotherapeut Stella O'Malley en jeugdtherapeut Sasha Ayad, gaat hij dieper in op hoe genderaffirmatieve zorg verschoven is van medische zorg naar een vorm van consumentisme. Het gesprek vond plaats kort nadat de New York Times een opiniestuk van Pamela Paul over jeugd-gendergeneeskunde en detransitioners publiceerde, en dat stuk vormt het vertrekpunt van het gesprek.
Van patiëntgericht naar kindgeleid
Sapir beschrijft hoe de geneeskunde verschoof van eminence-based zorg, waarin de arts gezag had, naar evidence-based zorg en uiteindelijk naar wat hij patiëntgeleide zorg noemt. In de gendergeneeskunde verandert dat volgens hem in iets nog problematischers: kindgeleide zorg. Hij verwijst naar uitspraken waarin het affirmatieve model wordt omschreven als georiënteerd op het werkelijkheidsbeeld van het kind, waarbij het kind van begin tot eind wordt gevolgd. Daardoor komt de verantwoordelijkheid uiteindelijk bij het kind te liggen, soms al bij een tien- of elfjarige. Sapir betoogt dat dit model uit de volwassenengeneeskunde wordt overgenomen, waar het meer betekenis heeft, maar bij kinderen niet past. Stella O'Malley vult aan dat dit ook een manier is voor behandelaars om verantwoordelijkheid te ontwijken: iedereen in de relatie tussen patiënt, ouders, arts en instelling schuift de aansprakelijkheid door.
De arts als verkoper en de plicht om geen schade te doen
Een kernpunt in het gesprek is dat artsen geen verkopers zijn van een consumentenproduct. Sapir stelt dat een arts een eigen professionele en ethische plicht heeft die losstaat van de wensen van de patiënt: de plicht om geen schade te doen. Soms vereist die plicht dat een arts nee zegt, wat een element van paternalisme introduceert dat volgens hem wezenlijk is voor de geneeskunde. Hij ziet de balans tussen paternalisme en autonomie in de gendergeneeskunde te ver doorslaan richting autonomie. Sasha Ayad merkt op dat zelfs in sterk consumentgedreven gebieden zoals esthetische chirurgie behandelaars veiligheidsgrenzen bewaken, bijvoorbeeld door iemand met een lichaamsbeeldstoornis te weigeren. Sapir noemt de opioïde-epidemie als voorbeeld van wat er gebeurt wanneer de subjectieve ervaring van de patiënt te zwaar gaat wegen in behandelbeslissingen.
Affirmatieve therapie, wetgeving en parallellen met de hervonden herinnering
Het gesprek behandelt ook de rol van de therapeut. Volgens Sapir verschuift de therapeut van iemand die een onderzoekend proces aanbiedt naar een facilitator of coach die het kind helpt een reeds aangenomen identiteit te uiten op school, thuis en op het werk. Hij plaatst dit naast verboden op zogenoemde conversietherapie, die soms ook exploratieve therapie raken, en naast staat-tot-staat wetgeving in de Verenigde Staten. Sapir bespreekt verder wat hij de golden mean fallacy noemt: de aanname dat de middenpositie juist is omdat het de middenpositie is. Tot slot trekken de sprekers parallellen tussen de huidige gendergeneeskunde en de hervonden-herinneringsrage van de jaren negentig, onder meer in het onfalsifieerbare karakter van de onderliggende theorieën en de redenering van symptoom naar oorzaak.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.