Dr. Michael Bailey (Northwestern) over de wetenschap van seksuele oriëntatie
Dr. J. Michael Bailey, professor aan Northwestern University, is een van de meest geciteerde onderzoekers op het gebied van seksuele oriëntatie en
Over Michael Bailey
Dr. J. Michael Bailey, psycholoog aan Northwestern University, onderzoekt de genetica van seksuele oriëntatie al ongeveer 25 jaar met behulp van tweelingstudies. Zijn kernconclusie is dat mannelijke seksuele oriëntatie aangeboren is en zeer resistent tegen verandering: er is volgens hem geen bewijs dat zij verandert. In deze video legt hij uit wat tweelingonderzoek en zeldzame medische casussen ons leren over hoe seksuele oriëntatie tot stand komt, en waarom termen als "genetisch", "aangeboren" en "aangeleerd" niet door elkaar gehaald mogen worden.
Tweelingonderzoek en genetische invloed
In 1990, kort na zijn aanstelling bij Northwestern, startte Bailey een tweelingstudie die hij landelijk publiceerde via advertenties voor homoseksuele tweelingen. Hij wijst erop dat homoseksualiteit in 1990 minder gestigmatiseerd was dan in de jaren vijftig, wat de werving ten goede kwam. De resultaten waren voor zowel mannen als vrouwen consistent met een gematigde genetische invloed. Bij de mannen had 52% van de identieke tweelingen waarvan één homoseksueel was ook een homoseksuele identieke tweelingbroer, tegenover 22% bij de twee-eiige tweelingen. Dat het geen 100% was, laat volgens hem zien dat oriëntatie niet volledig genetisch kan zijn; dat 52% hoger ligt dan 22% wijst wel op een gematigde erfelijke component. Hij ziet hierin een patroon dat ook geldt voor ziekten, persoonlijkheid en intelligentie: genen duwen iemand een bepaalde kant op zonder de uitkomst volledig te bepalen.
Genetisch, aangeboren en aangeleerd
Bailey benadrukt dat mensen begrippen vaak verwarren. Volgens hem is "genetisch" niet het tegenovergestelde van "aangeleerd"; dat tegenovergestelde is "aangeboren". Een eigenschap kan volledig aangeboren zijn zonder volledig genetisch te zijn, en mannelijke seksuele oriëntatie ziet hij als zo'n geval. Als gedragsgeneticus bedoelt hij met "omgeving" simpelweg alles wat niet genetisch is. Dat hoeft niet sociaal te zijn, zoals wat een vader of moeder deed, maar kan ook gaan om wat er in de baarmoeder gebeurde, ziekten, voeding of zelfs nog slecht begrepen toevallige processen die de ontwikkeling beïnvloeden. Het idee dat mannelijke homoseksualiteit wordt veroorzaakt door een afstandelijke vader of een dominante moeder verwerpt hij; daartegen is volgens hem veel bewijs.
Gendernonconformiteit en zeldzame casussen
Bij identieke tweelingen die beiden homoseksueel waren, zag Bailey een sterke overeenkomst in gendernonconformiteit als kind: was de één als jongen erg vrouwelijk, dan was de ander dat ook, en hetzelfde gold voor typisch mannelijk gedrag. Die overeenkomst verdween volledig bij tweelingparen met verschillende seksuele oriëntaties. Voor de stelling dat mannelijke oriëntatie volledig aangeboren is, verwijst hij naar zeldzame gevallen van jongens die door een ongeluk of medische conditie vroeg in hun leven als meisje werden grootgebracht en tot in de volwassenheid zijn gevolgd. In elk van de ongeveer vijf gepubliceerde gevallen bleken zij zich tot vrouwen aangetrokken te voelen. Als je een man niet tot mannen aangetrokken kunt maken door hem als meisje op te voeden, dan is het volgens hem onmogelijk dat oriëntatie bij mannen wordt aangeleerd. Voor vrouwen is het beeld minder duidelijk: er zijn dezelfde ontwikkelingsvoorspellers (ook lesbiennes zijn als kind wat vaker cross-gendered), maar vrouwelijke seksualiteit lijkt mogelijk wat malleabeler en gevoeliger voor omgeving en ervaring.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.