Het "bewijs" voor genderzorg ontmantelen — dr. Michael Biggs
Dr. Michael Biggs ontmantelt systematisch het zogenaamde wetenschappelijke bewijs voor genderzorg bij minderjarigen.
Over Michael Biggs
In deze lezing ontleedt dr. Michael Biggs het wetenschappelijke fundament onder puberteitsremmers bij jongeren. Hij vertrekt vanuit een recente uitspraak van een Amerikaanse politica die het laten doorlopen van de puberteit bij een transkind gelijkstelde aan marteling. Biggs gebruikt die uitspraak om drie aannames te bevragen: het bestaan van een 'transkind', het idee dat de puberteit zelf een ziekte of bedreiging is, en de vraag of er wel bewijs is voor het onderdrukken ervan. Naar eigen zeggen raakte hij in dit onderwerp verzeild toen hij de kernartikelen las en daarin volgens hem opvallende gaten aantrof.
Het transkind als recent verschijnsel
Aan de hand van Google Ngrams laat Biggs zien dat de uitdrukking 'trans kids' in de Engelse taal pas na 2006, en vooral na 2015, sterk toenam. Cross-gendergedrag — een jongen die met poppen speelt, een meisje dat ruig speelt — is volgens hem daarentegen van alle tijden en cultuurgebonden, en past in de uiteinden van een normale verdeling. Hij verwijst naar een autobiografie uit 1918 en naar een grootschalig onderzoek uit de jaren negentig onder zo'n 4.600 kinderen, waarin een sterk statistisch verband bleek tussen uitgesproken cross-gendergedrag en latere homoseksualiteit. Wat wél nieuw is, stelt hij, is de sociale transitie van kinderen, die voor de jaren negentig nauwelijks voorkwam.
Het Nederlandse protocol
Biggs schetst hoe het zogeheten Dutch protocol ontstond aan de kliniek in Utrecht, met als kern het gebruik van puberteitsremmers (GnRH-agonisten, in de VS bekend als Lupron) die oorspronkelijk werden ingezet bij vroegtijdige puberteit en prostaatkanker. Het protocol koppelde remmers vanaf ongeveer twaalf jaar aan cross-sekse hormonen vanaf zestien en operaties vanaf achttien. Rond die behandeling ontstonden volgens hem retorische aannames: dat de remmers 'omkeerbaar' zouden zijn en dat ze een diagnostische 'pauzeknop' boden — terwijl in de praktijk vrijwel alle kinderen die begonnen, doorgingen naar hormonen. Hij wijst ook op twee blinde vlekken: het verdwijnen van de erkenning dat het vaak om latere homoseksualiteit gaat, en het probleem dat een geremde puberteit later tot complicaties bij genitale chirurgie kan leiden.
Het bewijs onder de loep
Het positieve bewijs leunt volgens Biggs vooral op één Amsterdamse cohortstudie. Hij plaatst daar kanttekeningen bij: kleine aantallen, vragenlijsten die voor en na de transitie verschilden, en een patiënt die overleed na een operatie die volgens hem indirect met de puberteitsonderdrukking samenhing. De casus die als wonderbaarlijke genezing werd gepresenteerd, bleek bij latere navraag een persoon met depressie en schaamte over het lichaam. Pogingen tot replicatie in Londen (Tavistock) vonden geen positief effect, en grotere Amerikaanse studies bleven volgens hem lang onuitgegeven. Daarnaast noemt hij bekende bijwerkingen zoals verminderde botdichtheid en minder onderzochte effecten op emotie, cognitie en seksuele functie. Zijn conclusie is dat het bewijs voor puberteitsonderdrukking opvallend mager is, terwijl de behandeling wereldwijd sterk is toegenomen en de invoering ervan het beeld van het 'transkind' mede heeft gevormd.
Bronnen
Let op: deze video is Engelstalig. Bekijk onze Verhalen voor Nederlandstalige getuigenissen.