analyse

19 september 2026

Als bijna niemand 'nee' hoort: diagnostiek en latere spijt

Bij het Amsterdamse genderteam krijgt ongeveer vijf op de zes aangemelde jongeren de diagnose genderdysforie. Wat betekent een keten waarin zelden iemand 'nee' of 'nog niet' zegt voor mensen die later spijt krijgen van hun transitie?

Als bijna niemand 'nee' hoort: diagnostiek en latere spijt

Twijfel je, heb je spijt, letsel of ben je aan het detransitioneren?

Neem vertrouwelijk contact op

Wie verhalen van detransitioners leest, komt steeds dezelfde zin tegen, in allerlei varianten: niemand heeft mij ooit gevraagd of er iets anders aan de hand kon zijn. Het is verleidelijk om dat af te doen als terugblik met de kennis van nu. Maar de cijfers over hoe de Nederlandse keten werkt, maken duidelijk dat die ervaring in elk geval niet onwaarschijnlijk is.

Een keten die zelden afremt

Genderzorg Nederland publiceerde een overzicht van wat bekend is over de weg van huisarts naar diagnose: cijfers over doorverwijzing en diagnose genderdysforie. Hoe vaak huisartsen doorverwijzen, is niet bekend. Wel zei in een SCP-enquête uit 2012 47 procent van de transgender personen die bij de huisarts aanklopten, dat de huisarts wilde helpen maar geen informatie had. En bij het Amsterdamse genderteam kreeg gemiddeld 84,6 procent van de 1.072 jongeren die zich tussen 2000 en 2016 aanmeldden de diagnose genderdysforie (bron).

Bij de diagnose is ja verreweg het waarschijnlijkste antwoord. Dat bewijst niet dat die antwoorden onjuist zijn. Het laat wel zien dat het systeem weinig momenten kent waarop iemand met gezag zegt: laten we eerst naar iets anders kijken.

Wat detransitioners daarover vertellen

In onderzoek onder detransitioners keert dat thema terug. In de studie van Lisa Littman uit 2021 onder honderd detransitioners vond 55 procent achteraf dat zij voor de transitie onvoldoende waren onderzocht, en dacht 38 procent dat hun genderdysforie werd veroorzaakt door iets anders, zoals trauma of psychische problemen (bron). Dat is een zelfgeselecteerde groep en de uitkomsten zijn niet zomaar te generaliseren. Maar het sluit aan bij wat mensen op deze site vertellen: het gevoel op een lopende band te hebben gestaan.

Wat het cijfer niet zegt

Het is belangrijk om precies te blijven. Een diagnosepercentage van 84,6 procent zegt niets over hoeveel mensen later spijt krijgen. De meeste mensen met een diagnose krijgen geen spijt, voor zover bekend. De cijfers gaan bovendien over het academische centrum in Amsterdam, waar de diagnostiek uitgebreider is dan bij sommige andere aanbieders. En een deel van de jongeren haakt af voordat de diagnostiek begint, waardoor zij in het percentage niet meetellen.

Tegelijk is over spijt en detransitie in Nederland weinig bekend, juist omdat mensen die stoppen vaak niet terugkeren naar de kliniek waar zij begonnen. Van de 264 jongeren die tussen 2009 en 2019 in Amsterdam niet aan medische behandeling begonnen, werd bij 38,3 procent geen genderdysforie vastgesteld; die groep is in beeld. De mensen die jaren na een diagnose tot een andere conclusie komen, zijn dat meestal niet.

Wat zou helpen

Voor wie nu aan het begin staat: een diagnose is geen garantie dat alle andere verklaringen zijn onderzocht. Je mag daar zelf om vragen, en je mag de tijd nemen. Voor de zorg zelf zou het helpen als uitkomsten van de diagnostiek extern werden getoetst, en als mensen die stoppen of terugkomen op hun transitie systematisch werden gevolgd in plaats van uit beeld te verdwijnen. Spijt voorkom je niet met een hoger of lager percentage, maar met diagnostiek die aantoonbaar ruimte laat voor een ander antwoord dan ja.


Bronnen: Genderzorg Nederland (2026), Van huisarts tot diagnose: wat de cijfers wel en niet zeggen; Littman, L. (2021), Individuals Treated for Gender Dysphoria with Medical and/or Surgical Transition Who Subsequently Detransitioned, Archives of Sexual Behavior.

Veelgestelde vragen

Zegt het diagnosepercentage iets over hoe vaak spijt voorkomt?

Nee. Dat gemiddeld 84,6 procent van de aangemelde jongeren de diagnose krijgt, zegt niets over het aantal mensen dat later spijt krijgt. Het laat alleen zien dat de keten weinig momenten kent waarop een hulpvraag wordt afgeremd.

Wat zeggen detransitioners over de diagnostiek die zij kregen?

In onderzoek van Littman uit 2021 onder honderd detransitioners gaf een meerderheid aan dat zij zich achteraf onvoldoende onderzocht voelden. Het gaat om een zelfgeselecteerde groep, dus de uitkomsten zijn niet zonder meer te generaliseren.

Waarom is er zo weinig bekend over spijt in Nederland?

Omdat mensen die stoppen of terugkomen op hun transitie vaak niet terugkeren naar de kliniek waar zij begonnen, en er geen systematische opvolging bestaat van deze groep.