onderzoek

Redactie Transspijt.nl · 26 september 2026

Onderzoek naar houding tegenover detransitioners: 'begrip' hangt af van geloof in het model

Nieuw Australisch onderzoek meet de houding tegenover detransitioners met een schaal die 'positief' gelijkstelt aan geloof in de legitimiteit van genderdysforie en progressieve rolopvattingen — en noemt afwijkende meningen bij voorbaat 'misinformatie'.

Onderzoek naar houding tegenover detransitioners: 'begrip' hangt af van geloof in het model

Twijfel je, heb je spijt, letsel of ben je aan het detransitioneren?

Neem vertrouwelijk contact op

Een nieuwe Australische studie beweert iets te meten dat lastig te meten is: hoe de samenleving aankijkt tegen mensen die hun gendertransitie hebben teruggedraaid. De uitkomst klinkt geruststellend wetenschappelijk — een schaalscore, een regressiemodel, voorspellers van 'positieve houding'. Bekijk je wat er precies gemeten wordt, dan blijkt de houding tegenover detransitioners in dit onderzoek vooral te worden gelijkgesteld aan het onderschrijven van één bepaald wereldbeeld.

Wat de studie precies mat

Het onderzoek, uitgevoerd door Emily Goodes, Stephanie Webb en Eden Thain en gepubliceerd in Humanities and Social Sciences Communications (20 november 2025), ondervroeg in 2024 een Australische steekproef van 351 volwassenen (18 tot 77 jaar, gemiddeld 36,9) via een online vragenlijst. Het meetinstrument was de Transgender Attitudes and Beliefs Scale (TABS): hoe hoger de score, hoe 'positiever' de houding tegenover trans personen en detransitioners zou zijn.

In een eerste model bleken demografische kenmerken — gender, seksualiteit, religiositeit en persoonlijk contact met transitionerende of detransitionerende mensen — de TABS-score te voorspellen. Zodra de onderzoekers 'attitudinale' variabelen toevoegden — rolopvattingen, kennis van lhbtqia+-onderwerpen, economische gelijkheidsovertuigingen en het geloof in de legitimiteit van genderdysforie als diagnose — verdwenen bijna alle demografische effecten. Wat overbleef: meer contact met detransitioners, progressievere rolopvattingen, sterkere economische gelijkheidsovertuigingen, meer lhbtqia+-kennis en meer geloof in de legitimiteit van genderdysforie voorspelden samen een hogere score. Rolopvattingen bleken de sterkste voorspeller.

Een meetlat die maar één antwoord goedkeurt

Dat is waar het model wringt. Om als 'positief' te scoren op deze schaal moet een respondent niet alleen mensen die gedetransitioneerd zijn met respect behandelen — dat is triviaal — maar ook vooraf instemmen met een specifieke set overtuigingen: dat genderdysforie een stabiele, legitieme klinische entiteit is, en dat progressieve rolopvattingen de juiste zijn. Wie twijfelt aan de diagnostische onderbouwing van vroege transitie, of wie denkt dat genderdysforie bij een deel van de jongeren eerder samenhangt met autisme, trauma of seksuele oriëntatie dan met een op zichzelf staande aandoening, scoort per definitie lager — ook als die persoon oprecht begaan is met individuele detransitioners.

Met andere woorden: het instrument meet niet zozeer empathie voor een kwetsbare groep, maar ideologische conformiteit. Dat is precies waarom veel detransitioners zelf zeggen zich niet herkend te voelen in de mainstream-verhalen: hun eigen ervaring — dat de diagnose destijds voorbarig was — wordt door zo'n schaal juist beloond met een lagere 'houding'-score voor wie hen gelooft.

'Misinformatie' als verklaringsmodel

De auteurs concluderen dat publieke opvattingen 'mogelijk worden beïnvloed door misinformatie of beperkt begrip, met name rond de legitimiteit van genderdysforie'. Die zin doet veel werk. Een correlationeel onderzoek onder 351 mensen in één land kan niet vaststellen wíé gelijk heeft over de legitimiteit van een diagnose — het kan alleen laten zien dat mensen die het model al onderschrijven, ook coulanter oordelen over wie ervan afwijkt. Dat scepsis bij voorbaat als onwetendheid wordt weggezet, is een aanname, geen bevinding.

Diezelfde scepsis blijkt bovendien niet uit de lucht te vallen. Detransitioners rapporteren zelf het vaakst dat ze niet gehoord werden door precies de instanties die hen ooit doorverwezen — een patroon dat ook naar voren komt in hoe diagnostiek zelden ruimte laat voor twijfel voordat iemand met spijt achterblijft. En het is niet de eerste keer dat een beroepsgroep zelf bewijs buiten beschouwing laat: eerder deze maand nog stapte een Australische psycholoog op omdat zijn beroepsvereniging tegenstrijdig bewijs negeerde bij het opstellen van een standpunt over genderzorg.

Wie hier eigenlijk niet geloofd wordt

De publieke twijfel die deze studie als probleem framet, spiegelt een ouder patroon: de onderrapportage van spijt en detransitie binnen de zorg zelf. Op transitieschade.nl is eerder uitgezocht waarom het veelgebruikte 'minder dan 1%'-spijtcijfer niet klopt — een onderbouwing die minstens zoveel verklaart voor publieke scepsis als 'misinformatie' doet. Wie stelselmatig te horen krijgt dat spijt zeldzaam is, terwijl de onderliggende cijfers dat niet dragen, hoeft geen verkeerde voorlichting te hebben gekregen om toch voorzichtig te zijn.

Wat overblijft

De onderzoekers noemen hun eigen resultaten uitdrukkelijk voorlopig en de steekproef niet-representatief — een nuance die in de vertaling naar nieuws en beleid gemakkelijk verdwijnt. Wat overblijft is een schaal die stigma detecteert bij iedereen die niet a priori gelooft in het gender-affirmatieve model, en een conclusie die scepsis herleidt tot onwetendheid in plaats van tot de documenteerbare gebreken in diagnostiek en cijfers die dit netwerk keer op keer blootlegt.

Bronnen

  • Goodes, E., Webb, S. & Thain, E. (2025). From transition to detransition: Exploring societal attitudes towards gender detransitioning. Humanities and Social Sciences Communications, 12, artikel s41599-025-06049-3. nature.com/articles/s41599-025-06049-3 (20 november 2025).
Edward Jansen

Edward Jansen

Redactie

Veelgestelde vragen

Wat is de Transgender Attitudes and Beliefs Scale (TABS)?

TABS is een vragenlijst die meet hoe positief of negatief iemand tegenover trans personen en detransitioners staat. In deze studie hangt een hogere ('positievere') score sterk samen met het onderschrijven van progressieve rolopvattingen en het geloof in de legitimiteit van genderdysforie als diagnose — niet alleen met respectvol gedrag.

Betekent deze studie dat twijfel over detransitie op onwetendheid berust?

Dat concluderen de auteurs zelf, maar hun correlationele onderzoeksopzet kan dat niet aantonen. Het laat alleen zien dat mensen die het gender-affirmatieve model al onderschrijven, coulanter oordelen — niet dat scepsis ongegrond is.

Hoe groot en representatief was het onderzoek?

De steekproef bestond uit 351 Australische volwassenen die via een online vragenlijst werden geworven. De auteurs noemen de resultaten zelf voorlopig en de steekproef niet-representatief.