wetenschap

De Vries et al. (2014): de Amsterdam-studie die het Nederlandse protocol legitimeerde

De studie van De Vries et al. (2014) in Pediatrics volgde 55 jongeren die het volledige Nederlandse protocol voor genderzorg ondergingen. De conclusie — dat deelnemers psychologisch goed functioneerden na behandeling — werd wereldwijd gebruikt om genderzorg bij minderjarigen te legitimeren. Maar de studie selecteerde sterk op specifieke criteria, had geen controlegroep, verloor deelnemers aan follow-up, en trok conclusies over een populatie die fundamenteel anders was dan de moderne genderkliniekpopulatie.

De Vries et al. (2014): de Amsterdam-studie die het Nederlandse protocol legitimeerde

In september 2014 publiceerden Annelou de Vries en collega's van het VUmc Amsterdam een studie in Pediatrics over de uitkomsten van 55 adolescenten die het volledige Nederlandse genderzorgprotocol hadden doorlopen — van puberteitsblokkeerders tot geslachtsbevestigende chirurgie. De studie, "Young Adult Psychological Outcome After Puberty Suppression and Gender Reassignment," werd wereldwijd het primaire wetenschappelijke argument voor genderzorg bij minderjarigen.

Wat de studie vond

De 55 deelnemers vertoonden na het volledige behandeltraject betere psychische uitkomsten dan voor de behandeling: minder depressie, angst en genderdysforie, en een hogere kwaliteit van leven. Dit was de basis voor de conclusie dat het protocol veilig en effectief was.

De beperkingen die later erkend werden

Bij nader inzien hadden de studie en haar gebruik als evidentiebasis fundamentele problemen:

  • Strenge selectiecriteria: Het Nederlandse protocol hanteerde strikte selectiecriteria. Alleen adolescenten zonder significante psychische comorbiditeit, met stabiele genderdysforie vanaf de kindertijd en ondersteunende ouders kwamen in aanmerking. Dit is fundamenteel anders van de populatie die moderne genderklinieken zien.
  • Kleine steekproef: 55 deelnemers is een kleine groep voor conclusies die beleid van landen bepalen.
  • Geen controlegroep: Er was geen vergelijkingsgroep van adolescenten met genderdysforie die geen behandeling ontvingen. Het is niet duidelijk of de verbetering het gevolg was van de behandeling.
  • Uitval: De studie verloor deelnemers aan follow-up. De gevolgen voor degenen die uitvielen, zijn onbekend.
  • Geen meting van spijt: De studie mat tevredenheid kort na de operatie — niet op lange termijn. Spijt op latere leeftijd werd niet gemeten.

De verschuiving van de patiëntenpopulatie

Het meest fundamentele probleem was dat de studie een geselecteerde, homogene groep volgde, terwijl de moderne genderkliniekpopulatie radicaal anders is. Vanaf ca. 2015 steeg het aantal aanmeldingen explosief, met name onder adolescente meisjes, van wie velen comorbide psychische klachten hadden en geen vroegkinderlijke genderdysforie rapporteerden. Deze populatie was niet de populatie van de De Vries-studie.

Dit werd expliciet erkend door de Cass Review (2024), die stelde dat het gebruik van de De Vries-studie als rechtvaardiging voor moderne klinische praktijk methodologisch problematisch was.

Internationale gevolgen

Ondanks de beperkingen werd de De Vries-studie gebruikt als fundament voor WPATH-richtlijnen, nationale protocollen in meerdere landen en door klinieken als argument dat hun praktijk evidence-based was. De studie die in 2014 de brug bouwde is inmiddels als ontoereikend beoordeeld — maar het beleid dat op basis ervan werd gemaakt is pas na jaren herzien. Zie ook: internationale kritiek op het Nederlandse protocol.


Bronnen:

Deel dit artikel: